logo-fietssite

49e etapperoutebordjes schotland link naar fotoalbum
Lerwick – Kirkwall  36 km, rondje op Shetland

Woensdag 2 juli 2003.
Zonnig en droog, 20°C, matige wind.

Heel laat aan. Om drie uur ´s nachts in Lerwick  en nog wat later, na een stukje fietsen en enig zoeken aangekomen bij het Kveldsro House hotel. Mooi hotel, lekker geslapen, maar wel een beetje kort. Ons eerste Engelse ontbijt (Jan “normaal”, ik kipper met tomaat).
Rondje gefietst van de route, naar Scalloway. Prachtige tocht langs een restant van rechtspraak bij Tingwall, een kasteel in Scalloway, een broch bij Lerwick. Stukje rondgelopen, heel grijs, ook in de zon. Ook de nieuwbouwwijken zijn grijs. Geen bomen, alleen maar gras op het eiland. Wel heel mooi!
Museum ingeslopen, was heel rommelig, maar wordt beter. 16 juni j.l. is er besloten om een nieuw museum te bouwen aan de historische haven met oude boten erin. Dat zal wel een mooie attractie worden. Ik zoek in het museum naar de geschiedenis van de eilanden, en hoe het de laatste eeuw is verlopen. Maar dat vind ik niet.
´s middags (17.00 uur inchecken) de boot genomen naar Kirkwall. Alle fietsers van de overtocht Bergen – Lerwick zijn weer aanwezig. Onze Nederlander is ´s nachts bij aankomst om 3.15 uur gaan fietsen en had 155 km op de teller staan. Hij is helemaal naar de noordpunt geweest!.
In het à la carte restaurant van de ferry met een drukke ober (hij stelt vragen, maar wacht het antwoord niet af) gegeten.
Om 23.15 uur als één van de eersten de boot af. Om 23.30 uur zijn we bij onze besproken B&B. Historisch huis met bakkerij. Toch wonderlijk dat je maanden geleden zoiets via internet bestelt en dat het dan is en dat er iemand zo laat op je zit te wachten.

 

50e etappe
Kirkwall – John o´Groats  54 km (naar Burwick)

Donderdag 3 juli 2003.
Bewolkt met een beetje motregen, NW wind (achter), koud 15°C 

Rustige weg, even zoeken om de stad uit te komen. Plattegrondje gehaald bij de VVV naast een lelijke roodbruine kathedraal (blijkt wel bijzonder te zijn en uit de 12e eeuw). Makkelijke tocht tot Burwick, vooral door de wind achter. Leeg landschap, gras, geen bomen, met wat veeteelt. Soms ineens een wei met koeien, kalfjes er allemaal bij. De Italiaanse kapel bekeken. Een bouwsel uit de tweede wereldoorlog, gebouwd door POW´s uit Italië, die in Noord-Afrika gevangen genomen waren en overgebracht naar de Orkney eilanden. Door één man geïnspireerd om iets spiritueels neer te zetten met beperkte middelen. Na de oorlog is het hele kamp afgebroken, behalve de kapel. Deze wordt druk bezocht. Bijzonder om te bedenken dat hij gebouwd is door de “vijand”. Zoiets zie ik in Nederland nog niet zo gauw gebeuren. Een aantal eilanden van de Orkneys is in de tweede wereldoorlog met elkaar verbonden door wegen. De Italianen hebben daar ook hard aan moeten werken. De Churchillbarriers. Aanvankelijk bestonden die barrières uit gezonken schepen. Daarvan kun je nu nog restanten zien! Om even over tweeën staan we op de pier voor de boot naar John o´Groats. Volkomen verlaten pier, met alleen een portacabin en even verderop een groepje verlaten huizen, zoals je die in Schotland wel meer ziet. In de portacabin zit de Duits/Franse dame. Ze had de dienstregeling verkeerd gelezen en zit er al vanaf half één. De portacabin is lekker warm, en ze zit rustig te lezen. Wij zijn naar de Tomb of the Eagles gaan kijken, 2 km verderop. Blijkt een grafheuvel te zijn uit het Neolithicum en een huis uit de Bronstijd met een klein museum. Allemaal particulier geëxploiteerd. De overheid had bij de vondst van de boer Ronald Simison in de 50er jaren geen interesse. (http://www.tomboftheeagles.co.uk/) In de 70er jaren is de grafheuvel opgegraven door John Hedges en een groep studenten. Bijzonder museum. Inleiding door een oudere zeer enthousiaste dame. Je mag allerlei spullen vasthouden en voelen. Daarna een eindje lopen naar het huis uit de Bronstijd, waar we opgewacht worden door een oudere heer, die er op zijn brommertje heen gereden is. Hij is nagenoeg niet te verstaan. Vervolgens weer een eind verderop ligt de grafheuvel, waar je op je knietjes of met een trolley naar binnen moet schuiven. Iets te laat vertrokken om de boot naar John o´Groats in rustig tempo te halen. Zouden we die niet halen, dan moeten we nog een nacht op de Orkneys blijven. Maar het lukt, op de minuut af. Een zeer oude boot vaart ons naar de overkant. Onderweg zien we veel zeehonden en bijzondere vissen. Het beroemde John o’Groats House is al van verre goed te zien. Het is genoemd naar Jan de Groot, een Nederlander die in de 16e eeuw een veerverbinding met de Orkney’s opzette en exploiteerde. Aan de andere kant is de camping naast de aanlegsteiger. Het waait hard, dus we zoeken een plaatsje achter de heggen, zonder uitzicht op de Noordzee.  

 

51e etappe
John o´Groats – Melvich 64 km.

Vrijdag 4 juli 2003.
Koud 11°C-16°C. droog, bewolkt, matige tot krachtige westenwind.

Het is nogal koud vanmorgen en ook heel winderig. Er ligt een dunne nevel over de zee en het land. Vanwege de veerboot, die ´s morgens vroeg vanuit John o´Groats gaat is er al heel wat volk op de been. Het ferrykantoor is al open, de bus gearriveerd. Alleen in het John o´Groats Centre – waar een heleboel winkels leegstaan – is nog niemand te bekennen. Ook de VVV is nog dicht. De mensen uit de bus dringen samen voor de Tourist Information. Ook de pub is nog niet open. Merkwaardig, want om van deze zieltogende plek, zoals het boekje van Odysee hem noemt, iets levends te maken,  zouden de winkels en de horeca zich meer moeten richten naar de tijden van de veerboot.
Langs het hotel waar gisteren de Frans/Duitse dame naar toe is gegaan, pikken we heel gemakkelijk dit deel van de route op (nummer 1) Het deel van Schotland hier is tamelijk vlak, met tamelijk veel (enkele tientallen huizen) bewoning. Dat wil zeggen voor Schotse begrippen dan. Op het eerste stuk dominant het zicht op Dunnet Head, een grote bult in de vorm van een poot van een beest uitgestrekt in de zee. We dalen af tot Castletown, een klein plaatsje dat grootsere tijden heeft gekend ten tijde van de winning van flagstone (plavuis, soort zandsteen volgens het woordenboek). De ruines van de fabriek en het bijbehorende haventje liggen er nog. Een trail is uitgezet en de fietsroute loopt er dwars doorheen. In Castletown bij het plaatselijke café koffie gedronken om een beetje warm te worden. Daarna gaat de weg weer omhoog en algauw zien we Thurso liggen. Net zo´n grauw stadje als bijvoorbeeld Lerwick. Bij het station ontmoeten we het Duitse stel dat ook op de veerboten naar de Shetlands en de Orkneys zat. Zij gaan met de trein naar Glasgow om het vliegtuig terug naar Duitsland te halen. Het meisje heeft het erg koud en het verbaast haar dat ik nog steeds met blote benen loop. (Ik heb wel sokken aangedaan). Daarnaast staat een Hollandse jongen uit Rotterdam, die vorig jaar gefietst heeft tot Kristiansand en dit jaar vanuit New Castle de rest van de route had willen doen. Maar hij was niet op tijd voor de boot naar Bergen en heeft dus helaas zijn plan op moeten geven. Ook een jongen die grote afstanden per dag aflegt, rustig 150 km. Ook hij vond het Noorse stuk zwaar en weinig aangegeven in de boekjes dat het zo zwaar is.
Na Thurso komt een tamelijk saai stuk. Het gebied is glooiend en in cultuur gebracht. Pas na Reay gaat het weer lijken op de Schotse Hooglanden zoals ik die ken van het wandelen. Leeg, met veel veen (peat), weinig wegen, heide, katoenpluis en alleen zeer laag struikgewas.
We komen fietsers tegen richting John o´Groats. De geijkte vraag is “Waar ga je heen?” en “Waar kom je vandaan?” Op mijn antwoord dat we naar Portskerra gaan, roept hij dat er een camping is bij Melvich. Die staat niet op onze kaart, maar na 7 minuten ligt er inderdaad achter een pub een kleine camping. Van alle gemakken voorzien. Om 16.00 uur zijn we daar. Een beetje vroeg, maar het volgende stuk wordt behoorlijk zwaar (naar Bettyhill). Dus we stoppen hier. Na het opzetten van de tent, drinken we in de pub bier en thee en informeer ik naar een wasmachine. Er staat maar één caravan op de camping en de man in de pub informeert snel zijn vrouw dat ik wil wassen. Dus als ik na de thee richting “laundrette” ga, komt zij er net uit, lachend “sorry, ik heb er net een was ingedaan”. Lullig vind ik dat. Terug dan maar naar de pub om het dagboekje te schrijven.

 

52e etappe
Melvich – Altnaharra 65 km

Zaterdag 5 juli 2003.
Aanvankelijk tamelijk koud 11°C, later warmer 15°C, aanvankelijk droog en zelfs later een beetje zon, maar dan toch nog regen.

Aardige dag. Echt Schots landschap. Leeg, heuvelig, veel veen en zeer weinig bomen. Omdat fietsen over de weg gaat en niet zoals wandelen over wandelpaden, zie je toch nog tamelijk veel huizen.
Redelijk vroeg weg, ongeveer kwart voor negen. We zijn Strathy al voorbij (steil dalend) voordat ik Jan kon beroepen dat we nog inkopen moeten doen. Strathy is ontstaan als gevolg van de Clearences. Het leegvegen van de Schotse Hooglanden door de Engelse overheersers, waarbij de Hooglanders vanuit het binnenland verjaagd zijn naar de kust, zodat er plaats kwam voor schapen. Veel stijgen en dalen, volgens de kaart zo´n 15x tot Bettyhill. In het echt heb ik het niet geteld, maar het is veel. Maar steeds, in tegenstelling tot Noorwegen, met een beloning. Uitzicht, soms op zee, met een klein strandje in de baai, en prachtige luchten.
Voor Bettyhill moeten we scherp dalen. In het dal ligt de Tourist Information, die ook koffie schenkt. Daar gauw naar binnen gegaan voor koffie en informatie over een afsnijding van de route langs de rivier de Naver. Na onze afsnijding in Noorwegen (zie 22 juni Kvinesdal), waarvan ik ook dacht dat hij makkelijker zou zijn dan de officiële route, omdat hij voor het eerste stuk langs een riviertje liep, heb ik geleerd dat de dingen soms niet zo zijn als je verwacht. Maar in dit geval is de route aanzienlijk eenvoudiger te fietsen dan de officiële route over Tongue. Dat vertelt de VVV. De weg langs de Naver is een rustige eenbaansweg, met veel passing places, door een deel van de Hooglanden waar de Clearances volop zijn uitgevoerd – daarover loopt een interessante trail ook over deze weg met veel informatieborden – maar ook een gebied waar nu weer een aantal boeren wonen en waar nieuwe huizen worden gebouwd. Kortom heel interessant.
De trail staat stil bij restanten van dorpen, maar ook bij een standbeeld voor Donald Macload, die een boek geschreven heeft over de Clearances (1814) in dit gebied (“Gloomy Memories”).

Uit “Memories of North en South Sutherland” van Christopher J.Uncles:
The consternation an confusion were extreme, little of no time was given for the removal of persons of property; the people striving to remove the sick ones and the helpless before the fire should reach them; next struggling to save the most valuable of their effects. The cries of the women and children, the roaring of the yelling dogs of the shepherds amid the smoke and fire, altogether presented a scene that completely baffles description – it required to be seen to be believed. A dense cloud of smoke enveloped the whole country by day, and even extended far out to sea; at night an awfully grand but terrific scene presented itself – all the houses in an extensive district in flames at once. I myself ascended a height about eleven o’clock in the evening, and counted two hundred and fifty blazing houses, many of the owners of which were my relations, and all of whom I personally knew, but whose present condition – whether in or out the flames – I could not tell. In conflagration lasted six days, till the whole of the dwellings were reduced to ashes or smoking ruins”.

Aan het eind van een meer ligt Altnaharra met een duur hotel. Daar naar binnen gestapt voor een droge nacht en voor Jan een bad om te herstellen van zijn verkoudheid. Later blijkt dat twee fietsers (van Lands End naar John o´Groats) op een veldje bij het hotel kamperen en apart van de rest in de Lounge aten.

 

53e etappe
Altnaharra – Tain 75 km

Zondag 6 juli 2003.
11°C – 16°C, bewolkt, weinig wind (ZW), later een beetje regen.

Gisteravond uitgebreid genoten van het vissersgezelschap. Allemaal mannen en één vrouw die in dit hotel logeren om te vissen. Er was een koud buffet met vis.
Vanochtend vertrokken na een full breakfast inclusief black pudding (bloedworst) en haggis (hart, longen en lever van een schaap, gekookt, vermengd met niervet in een schapenpens). De vissers zitten er ook weer. Nu is het onderwerp “vrouwen”. “My wife has no credit card and she never asks me about mine” etc.
Om 9.15 uur vertrekken we richting Tain.  Eerst een zeer lange stijging naar Crask Inn. In een leeg landschap zoals gisteren. En dat blijft leeg, hoewel er aan het eind een groot bos geplant is, tot Lairg. Lairg ligt aan Loch Shin. Met een damwand is een klein deel van dit Loch afgezonderd. Er zijn veel zeilboten op dit deel. Bijzonder, want je ziet niet veel plezierbootjes. Vanaf Lairg is het even goed kijken op de kaart, want bordjes ontbreken hier geheel. De weg naar de Shin Falls, een kleine waterval in de rivier de Shin, is gauw gevonden. Bij de waterval is het erg druk – een zondagmiddaguitje – met een druk bezocht restaurant/souvenirwinkelte. Bij waterval kun je als je geluk hebt zalmen zien springen, vanaf een speciaal aangelegd uitkijkpunt. Wij zien ze niet, maar we hebben ook maar even gekeken.
Bij Invershin 2 miles na de watervallen is het even zoeken naar de voetbrug over de Kyle of Sutherland. Het is een echte voetbrug, aangelegd voor het station, met echte trappen zonder goot ernaast voor fietsen. Nadat we de fietsen een trap naar boven hebben gesjouwd, vraagt Jan zich af of we ook via een andere weg in Tain kunnen komen. En dat had ook wel gekund. Gewoon de A-weg 836 blijven volgen tot Bonar Bridge en dan de autobrug over. Maar vanaf de voetbrug hebben we een mooi uitzicht op Carbisdale Castle. In het nabijgelegen Ardgay zijn de winkels (2) open!. Daarna over de A836 die hier niet druk is, naar Tain. Het begint zachtjes te regenen. En dat blijft ook zo tot de camping. Naast de camping zit Dornach Bridge Inn. De receptie van de camping beveelt ons aan om een tafeltje te reserveren. Dornach Bridge Inn blijkt een oud stationsgebouw te zijn, gekocht door een Nederlandse met haar Schotse vriend. Ze proberen net iets meer van het eten te maken. En dat lukt kennelijk goed, gezien het aantal mensen dat er zit. We eten cullin skink (soep) en verse garnalen/vis met pastei/tagliatelle.

 

54e etappe
Tain – Inverness 82 km

Maandag 7 juli 2003.
Koud, regen tot het eind van de middag. Bijna geen wind.

Het regende toen we wakker werden. In de tent een broodje gegeten, geen koffie. Beetje koud weg. Voor Tain langs een Coop, daar inkopen gedaan en de koffie ingehaald. Wat opvalt is dat in het restaurantje van de supermarkt niet alleen kranten liggen – vandaag is de voorspelling de hele dag regen, maar morgen zon en regen – maar ook VVV informatie over Tain. In Tain zelf, aardig stadje aan het Loch, geen bordjes meer van de fietsroute, dat wil zeggen voor de winterroute. Want we hebben besloten die te fietsen in verband met de moeilijkheidsgraad, en het gebrek aan zicht. (veel nevel, dan wordt het klimmen niet beloond). In de Highstreet is wel een plattegrond, van daaruit goed gekeken welke weg we moeten hebben de stad uit. Uiteindelijk besloten de Castleroad te nemen, de A9 over te steken, en daar zou hij zijn vervolg moeten hebben. Nergens bordjes, maar het blijkt goed te zijn. Een aardige landweg, langzaam stijgend. Heel lieflijk, met een zachte regen en nevel. Het schiet vandaag niet echt op. 
Tegen de middag zijn we  30 km verder bij Evanton. Toch besloten om verder te gaan tot Dingwall. Dat gaat redelijk. De weg daalt alleen maar. Dingwall ligt aan het eind van het Cromarty Firth Loch. We moeten om het meer heen, aan de andere kant weer terug met een grote omweg, omdat de rechtstreekse weg naar Inverness de zeer drukke A9 en A835 is. Nog even staan aarzelen bij de A835. Maar toch besloten de omweg te maken. De weg is te druk en geen vluchtstrook. Dus auto´s moeten dan voor je uitwijken, terwijl daar geen ruimte voor is. De omweg is mooi. De weg is wel weer stijgend, en soms fiks ook, al staat dat niet aangetekend op de kaart. Oostelijk naar Munlochy is de weg dwars door een bos weer dalend.  In Munlochy is het hotel dicht, dus toch maar door naar Inverness. Eerst weer een beetje stijgen, en dan een aantal noodoplossingen om niet via de A9 te rijden. Eerst een klein weggetje erlangs, daarna een vluchtstrook aan de goede kant, dan onder de weg door naar North Kessock en dan via een steil looppad naar de brug met aan de verkeerde kant een fiets/loopstrook afgeschermd met een vangrail.  Via de VVV een mooie B&B geboekt in het centrum. Zeer luxe met eigen douche en toilet. En mw. Annabel MacKenzie weet ook wel een aardig restaurantje in de buurt.

 

55e etappe
Inverness – Brodie Castle 59 km

Dinsdag 8 juli 2003.
Droog, warmer 15°C – 20°C, geen wind, klein beetje regen in de morgen.

Rustig gestart met een ontbijtje bij de B&B. Aan tafel schuift een Belgische etser, die daar elk jaar twee weken zit om allerlei galerieën te bezoeken. Alles met de trein en een gehuurde fiets. Zo kun je Schotland ook bezoeken. Daarna de stad in om een e-mail te versturen bij de Tourist Board. Het kasteel bekijken en boodschappen doen. Pas tegen twaalven vertrokken richt Nairn. Nog een praatje gemaakt met de Ian MacKenzie, de heer des huizes.
Mooie tocht langs heel rustige wegen, door een zeer bosrijk gebied. Vanaf Culloden – het bekende slagveld waar de Hooglanders olv Bonnie Prince Charles in de pan werden gehakt door de Engelsen in 1746. Er sneuvelden 1200 Hooglanders en nog geen 89 Engelsen – wordt er gestegen. En bij het Clava viaduct – bekend uit de film van Harry Potter – wordt ´steep´gestegen en dat betekent lopen. Maar daarna zitten we hoog en hebben bij tijd en wijle een mooi uitzicht op de Moray Firth. Dezelfde baai die we gisteren aan de andere kant gefietst hebben.
Tegen vieren zijn we in Nairn. Er ligt daar een camping aan het strand. Maar helaas, hij is vol. Ook voor fietsers met een zeer klein tentje is er geen plaats. Dat heb je met personeel aan de receptie. Die moeten zich aan de regels houden. Dus verder naar Brodie Castle 10 km. verder, waar ook een kleine camping moet zijn. Na enig zoeken blijkt dat een vrij veldje bij het kasteel te zijn. Met beperkte voorzieningen. Je mag daar vrij kamperen.
Daar staat een tentenkamp van de Boys Brigade – een soort christelijke padvindersbeweging -, maar we zijn welkom en worden uitgenodigd voor het eten. Dat is een uitkomst. Want er is geen dorp, dus ook geen winkel en geen pub. Aan de weg is wel een restaurant, maar dat zit in bij een winkel. En die is al gesloten.

 

56e etappe
Brodie Castle – Findochty 75 km

Woensdag 9 juli 2003.
Droog, warm 20°C, klein beetje drizzle, ook bewolkt, matige wind.

Eerst ontbeten met de Boys Brigade. De jongens moeten eerst wassen – daarvoor is in een grote teil warm water gemaakt – en daarna hun tent leegruimen en schoonmaken. “Anders stinken ze eruit”. Daarna ontbijt, om 20 voor 9 precies, in de grote tent met pap of cornflakes, bolletje brood met bacon en thee. Nog even afscheid nemen, adressen uitwisselen, “save journey” en om half tien rijden we het terrein af, na nog even de Rodneystone bekeken te hebben (een steen uit de pictische tijd, ong. 9e eeuw), een prachtige en tamelijk zonnige dag tegemoet. De route is op dit deel met zorg uitgezet. Vlak voor Forres is een “rough track” met een waarschuwing op de kaart. Maar het blijkt een heel makkelijk grindpad. Maar grindpaden waarover gefietst kan worden, komen hier niet veel voor. Forres zijn we niet in geweest. Het nabijgelegen Kinloss heeft een Spar (inkopen gedaan). En over zeer rustige landwegen, heel vlak, veel begroeiing, stukken bos, veel veeteelt, raken we tot Elgin. We hebben het stadje gezocht. De Highstreet doorgelopen, met een plein in het midden, en de oude ruïne kathedraal bekeken, die vlak tegen een park aanligt. Een enorme kerk moet dat geweest zijn. Vanwege het mooie weer zijn er veel mensen in het park, op terrassen, genietend van de zon. Omdat we een bordje missen, de stad uit, rijden we een rondje en komen weer bij de kathedraal uit. Maar nu vinden we met enige moeite de juiste uitvalsweg.
De wegen blijven zeer “traffic-arm”, een beetje klimmen (Lochhill), maar allemaal heel goed te doen. Gek genoeg komen we vandaag (gisteren trouwens ook niet) geen andere fietsers tegen.
Bij Garmouth zitten we eindelijk weer aan de kust. Een stenige monding van de rivier de Spey, waar we met een oud treinviaduct overheen gaan. Ook dit is speciaal voor fietsers in orde gemaakt. Dus met zo´n groot bord van Sustrans erbij. Zodra in de route een stukje, hoe klein ook, geschikt is gemaakt voor fietsers, wordt dat met borden verteld.
Bij Portgordon komen we op de A942 en dat willen de routemakers liever niet. Dus ze leiden ons om over de oude spoorbaan. Dat levert wel een mooi zicht op het smalle dorp met de identieke grijze daken. Bij Buckie doen ze dat weer, en dat is een heel gezoek door het plaatsje, want de bordjes komen niet geheel overeen met de route op de kaart. Aan het eind van Buckie besluiten we gewoon de A942 te volgen tot Findochty. De weg is rustig. Findochty is een heel mooi gelegen vissersplaatsje rond een haventje. Nog geheel intact. Met een camping aan zee. Schitterend gelegen. We krijgen een heel mooi plaatsje. We kijken zo vanuit ons tentje op de zee. Om de hoek, aan het haventje is de pub, achter de kerk de supermarkt. Wat wil je nog meer?!
Dolfijnen! En jongens die van de rotsen springen.

We hebben het tentje opgezet, iets gegeten. En als we terugkeren, lopen we een Hollands gezin tegen het lijf, die al twee dagen op de uitkijk staan, omdat er dolfijnen langs zwemmen. Maar ze hebben ze nog niet gezien.
Eerst genieten we van de jongens uit het dorp, die in wetsuits van de hoge rotsen in de zee springen. Je ziet duidelijk verschil tussen de branieschoppers en degenen die er meer moeite voor moeten doen om hun angst te overwinnen.
En daarna, gratis en voor niks, komt een hele school dolfijnen voorbijspringen. Prachtig.

 

57e etappe
Findochty – Turriff 55 km.

Donderdag 10 juli 2003.
Eerst zonnig en warm, later op de middag een hevige bui, zwakke wind.

Met moeite nemen we afscheid van deze mooie plek. Maar tot Banf zullen we langs de kust blijven fietsen, voordat we het binnenland in gaan.  Portknockie is net zo´n vissersplaatsje als Findochty met haventje, alleen liggen de huizen niet aan het haventje. Het haventje ligt laag. De weg ernaar toe is prachtig gravelpad over kliffen. En eenzelfde pad loopt naar Cullen, via een zeer imposant viaduct van een niet meer gebruikte spoorverbinding komen we Cullen binnen. Het schijnt dat de gravin niet wilde hebben dat de trein over haar gebied ging en in die tijd ging hij dan gewoon dwars door het dorp, wat voor meer mensen – maar dat was natuurlijk van een lagere klasse – overlast veroorzaakte en aanzienlijk meer kostte. Bij Cullen kunnen we de oude spoorlijn helaas niet verder gebruiken. Dus een kleine landweg, iets verder van de kust vandaan, brengt ons door golvend landschap met ruisende graanvelden, en weitjes met koeien en stieren naar het volgende kustplaatsje Portsoy. We fietsen langs het bord historische haven.  Havens met veel gelijkenis. En we zullen er nog twee krijgen: Whitehall, dat we heel mooi van boven kunnen bekijken en Banff. Bij Banff druppelt het een beetje, maar het houdt ook weer op. Daarna gaan we helaas het binnenland in. Met aardig wat stijgen en dalen, maar allemaal te doen, door het dal van de rivier de Deveron. Soms moet er gestegen worden omdat een lager weg “private road” is (Dunlugas House). Een bord geeft aan dat deze weg alleen gebruikt mag worden naar de boerderij. Dus we klimmen er omheen.
Tegen half vier zijn we in Turriff. Het lijkt niet verstandig om de volgende camping, een paar mijl voor Maud, te trachten te bereiken. Die camping ligt niet bij een dorp, en er is geen alternatief als hij er niet meer is.
De camping bij Turriff ligt bij een groot sportcomplex en park. Turriff zelf wordt de parel van het noorden genoemd. Maar dat is wat overdreven voor deze uit rode steen opgebouwde plaats, waar het autoverkeer ruim baan heeft gekregen.
Onrustige nacht omdat de jongen naast ons om half twee dronken zijn tent opzocht, na uitvoerig gekotst te hebben in de struiken, en om kwart over zes hard in zichzelf gaat vloeken.

 

58e etappe
Turriff – Dyce 65 km.

Vrijdag 11 juli 2003.
Eerst koud, minder dan 15°C. later zonnig met regenbuien. Onduidelijke wind, soms hard en tegen.

De dag van de verlaten trainrails. En een wespenbeet rond het oog. Het gaat ook nog regenen. Dat maakt alles nog somberder. In Caminestown gestopt om inkopen te doen. Daar liggen frambozen in een eigen gemaakt doosje in het rek. Heerlijk.
Aangekomen bij de plek waar de camping  moet zijn, ruim 8 km. vóór Maud, blijkt dat die op een heel andere plaats ligt dan op de kaart staat aangegeven. Kennelijk hebben meer fietsers gezocht, want er is een provisorische wegwijzer gemaakt, met een kopie van de kaart erin. Wijze beslissing gisteren om niet door te fietsen.
In Maud gaat de route een stuk over de Formatine & Buchan Way. Een verlaten spoorweg die geschikt gemaakt is voor wandelen en fietsen. De route gaat er bij Auchnagatt weer vanaf, maar wij besluiten hem tot Newmachar te rijden, waar we de route weer kunnen oppikken, die daar over het laatste stuk van deze oude spoorlijn gaat tot Dyce.
Heerlijke fietsroute, maar we komen op het hele stuk van 40 km. geen enkele fietser tegen, en slechts een paar lokale wandelaars. Heel jammer, want het is een goede fietsroute. In Maud is een klein spoorwegmuseum, maar dat is niet open. Onderweg zien we bloeiende bermen, mooie viaducten, soms voor wegen die er ook niet meer zijn, hergebruikte stationsgebouwen (hotel, wonen, werken). Het enige jammere zijn de hekken, die auto´s moeten verhinderen van dit pad gebruik te maken. Die zijn onhandig voor fietsen met bagage. In Dyce eindigen we op het station van Dyce. Het is half vijf en we besluiten niet meer door te rijden naar Aberdeen, maar hier een B&B of hotelletje te zoeken. En dat is gauw gevonden.

 

59e etappe
Dyce – Stonehaven via Portlethen 36 km.

Zaterdag 12 juli 2003.
Zonnig, droog, redelijke temperaturen 20°C – 24°C, matige westen wind.

Is dit de dag van de waarheid? We starten om 9.00 uur de puzzel om door Aberdeen heen te rijden. Aberdeen is een bloeiende grote stad, met uitgebreide nieuwbouwwijken. Heeft de bijnaam “Granite City”. En die naam is goed gekozen. Hoewel de bordjes ruim aanwezig zijn en goed de richting aangeven, slagen we er toch in om twee maal een rondje te rijden, dat wil zeggen bij hetzelfde punt uit te komen als waar we begonnen. Eerst bij Wallet Garden, en later na Old Aberdeen op een grote rotonde met allerlei onderdoorgangen. In Old Aberdeen bekijken we de oude kathedraal van St. Machar. Een voorbijganger wijst ons op de tuinen van het Seaton Park dat erachter ligt. Ook daar werpen we een blik op. Tussen de oude universiteitsgebouwen rijden we Aberdeen binnen, en dat is van een aard dat je denkt, “gauw wegwezen”. Grote grijze gebouwen, schijnbaar zonder ordening naast elkaar gezet. Bij de VVV stoppen we om een mail te sturen. Daarna zijn we snel de stad uit. Over de Victoriabrug rijden we de kades van de haven op, waar de schepen kops op de kant liggen. Hier worden schepen bevoorraad voor de booreilanden. In de volgende haven ruikt het weer naar vis.
Een mooie weg voert langs de vuurtoren en de Nigg Bay. Bij Portlethen – het is half drie – nemen we de trein tot Stonehaven. De trein loopt anders dan de route prachtig dicht langs de kust. Op Schotse treinen staat niet aangegeven waar de fietsen in mogen. Dus staan we vast op een balkon. We kunnen zelfs niet weg, en de conducteur is nergens te bekennen. Zo reizen we gratis naar Stonehaven. De kust is vanuit de trein prachtig. In Stonehaven is de camping gauw gevonden. Hij is vol, omdat er een folkfestival is, maar aan de rivier bij de voetbalclub is een veldje gereed gemaakt voor het folkfestival. En daar kunnen we voor 4 pond staan. Nou maar hopen dat we vannacht een oog dicht doen.
Mijn gezicht is nu iets minder gezwollen, maar nog steeds scheef en twee varkensoogjes.

 

60e etappe
Stonehaven – Johnshaven 30 km

Zondag 13 juli 2003.
Zonnig, droog, warm voor Schotse begrippen ± 25°C. enige westenwind.

Dit was bedoeld als rustdag. We hadden gepland om te fietsen tot Inverberie. Maar de camping daar is gesloten. Dus zijn we 10 km. verder gegaan naar een rustige stacaravancamping.

De nacht in Stonehaven was redelijk rustig. We hebben allebei door de folkmuziek die op het kamp gemaakt werd heengeslapen. Rustig opgestaan, rustig ontbeten en rustig de tent ingepakt. Toch nog om 9 uur weg. Vanuit het plaatsje gestegen naar de kliffen via en weg die als zeer steil op de kaart staat aangegeven, maar het viel mee. Je kon gewoon op je fiets blijven zitten. Uitvoerig Dunnottar Castle bekeken, tenminste de ruïnes die ervan over zijn. Dunnottar kasteel ligt op een platte rots in de zee, met aan een kant een verbinding met het vaste land. Maar dan moet je eerst naar beneden en dan weer naar boven. Hoe is het kasteel indertijd gebouwd vraag je je af. En het moet toch veel inspanning gegeven hebben om het te bevoorraden. Rustig verder gefietst via zeer rustige landwegen, waarbij de kust nooit ver weg is. Langs de oude kerk van Kinneff – waar nog bij een belegering van Dunnottar Castle door Cromwell, de kroonjuwelen van Schotland bewaard zijn. Inverbervie ziet er aardig uit. Maar de camping is gesloten. Een dronken man probeerde ons over te halen toch de tent op te zetten. We kunnen bij hem thuis toilet en douche gebruiken. Maar dat hebben we toch maar niet gedaan. Daar is hij nogal verbolgen over, wat ons nog meer sterkte in ons idee hier niet te gaan staan. De routebordjes geven je de gelegenheid om langs de A92 te rijden of over een voetpad langs de zee. We kiezen het laatste. Dit pad naar Johnshaven is een niet geasfalteerd pad. Soms erg stenig, maar er is overal te rijden. Prachtig pad. We komen langs Gourdon, ook een oud vissershaventje. Vervallen met veel dichtgetimmerde huizen. Het toerisme, zoals bijvoorbeeld in Denemarken – is hier totaal nog niet doorgedrongen. Dat blijkt ook zo te zijn in Johnshaven. Het eerste dat we van Johnshaven zien is de camping met de door Theroux zo verfoeide stacaravans met hun neuzen naar de zee. Maar het is een aardige camping met een aardige ontvangst. Een oudere mevrouw van één van de stacaravans komt even informeren wie we zijn. Zo, dat weet dadelijk het hele kampje. Naar Johnshaven gewandeld. Hier een vissershaventje dat geheel droogstaat (eb). De zee is heel rustig. De winkel is gewoon open. En even verderop is een hotel dat evening meals heeft. Daar ´s avonds naartoe gegaan. Moeder kookt, dochter serveert. Het zit nog aardig vol.

 

61e etappe
Johnshaven – Carnoustie 66 km.

Maandag 14 juli 2003.
Zonnig, eerst warm 21°C, later in de middag meer bewolkt en kouder. Geen wind.

Vroeg vertrokken, 8.30 uur, op een stralende ochtend met strak blauwe lucht.
Gisteravond hadden we al bekeken dat we beter iets eerder naar boven konden gaan, naar de A92, om de “steps” te vermijden. Dus vanuit de camping meteen omhoog geklommen. De autoweg is nog rustig en we hebben een mooi zicht op de baai. Wellicht is beneden de route verder doorgezet, want hier boven zijn geen bordjes tot vlak bij St. Cyrus, waar we even van de A92 weg afgaan richting zee. Daarna weer een klein stukje A92 en dan met een steile afdaling dicht langs de kust, dat hier een natuurreservaat herbergt. We komen uit bij het hoge treinviaduct “Northwater”. Volgens de kaart zou je daar in de zomer van 2001 overheen kunnen en over een verlaten spoorlijn naar Montrose. Ik ga op onderzoek uit. Het pad naar het viaduct is gemaakt en op het viaduct zijn nieuwe leuningen geplaatst. We klimmen omhoog. Maar helaas, aan het eind van het viaduct houdt het pad op. Er staat zelfs een hek. Wandelaars zijn er duidelijk doorheen gelopen, maar met de fiets is dat geen doen. Dus terug en over de weg de brug over. Montrose is snel bereikt. Een fietspad leidt ons voornamelijk door buitenwijken van dit armoedige stadje met zijn mooie naam. De brug over het Montrose Basin over – in de haven zwemmen tientallen eidereenden – en we zitten weer in de glooiende landbouw- en veeteeltgebieden. Grote boerderijen staan hier en grote varkensstallen zien we ook. Bij Lunan passeren we Red Castle dat mooi uit het landschap oprijst. Alles is vandaag wat nevelig. Slecht voor foto´s dus.
Aan het begin van de middag rijden we Arbroath binnen. Blijkens de haven en de vele viswinkels wordt hier nog volop gevist. We bekijken de indrukwekkende rode ruïne van Arbroath Abbey en gaan dan langs de kust verder. Hier is een uitgebreid recreatieterrein, met o.a. een amusementshal en hier is het ook druk, zoals in een plaats als Katwijk of Noordwijk.
We besluiten, omdat het nog vroeg is een camping verder te fietsen naar Carnoustie. Dit plaatsje ligt ook aan de kust, maar wordt daarvan gescheiden door een spoorlijn, die tussen dorp en zee is aangelegd. De camping ligt aan een park en deels in het park met grote oude bomen.
De was gedaan. Op advies van de “warden” gegeten bij hotel Loch . Er was niemand in dit hotel restaurant, waar bestaan deze hotelletjes toch van? Maar een uitstekende ontvangst en een lekker diner.

 

62e etappe
Carnoustie –St.Andrews 67 km.

Dinsdag 15 juli 2003.
Bewolkt, koel, later warmer. Aan het eind van de middag zon, droog. Zwakke tot matige wind.

Op de kaart staat een alternatief pad langs de spoorlijn, aan de kant van de kust. We hebben het gevraagd bij de VVV. En het meisje achter de balie verzekert ons dat dat kan. Maar het is er niet. Er loopt een pad over het golfterrein, helemaal tot het eind van het terrein. Maar het loopt dood op een hek. Fietsen over het hek getild, bekeken of we verder kunnen fietsen, maar dan moeten we een militair terrein over. Weliswaar zwaaien er geen rode vlaggen, maar er staat wel dat de weg geen doorgangsweg is voor verkeer. Gelukkig kunnen we het spoor weer over bij het stationnetje “Barry Links”. En omdat de A930 niet erg druk is, en het nog maar een paar kilometer naar Monifieth, nemen we die A930. Van Monifieth loopt er wel een pad naar de zeekant van de spoorlijn. Het gebied is hier erg verstedelijkt. Gek genoeg zijn er weinig mensen langs de zee. Een paar ouderen laten hun hond uit. Ook in Broughty Ferry is bijna niemand aan de waterkant te bekennen. Waar hangen al die Schotten uit in hun vakantie?
Vanuit Broughty Ferry fiets je dan zo weer Dundee binnen. Hier is een nieuw stukje fietsroute gemaakt. Eerst over een vergane glorie promenade langs de waterkant (Firth of Tay heet het hier) en daarna over een nieuw aangelegd deel. Een stukje mist nog, dus nog een klein eindje over de A930, of de stoep ernaast. Over de Tay loopt een grote brug. De middenberm van de brug is geschikt gemaakt voor voetgangers en fietsers. Dit is bereikbaar met een lift. Het verkeer raast je dus aan alle kanten voorbij. Mooi – hoewel het zeer nevelig is – zicht op de “Fife” (de overkant) en op de Victoriaanse spoorbrug, die een voorganger vervangt die in 1878 na 18 maanden trouwe dienst instortte tijdens een zware storm.
Aan de andere kant van de brug gaat de route weer terug langs de Firth of Tay via een aangelegd fietspad tot Tayport. In dit deel van Schotland, het schiereiland tussen de Firth of Tay en de Firth of Forth zijn veel fietsroutes uitgezet. De NSCR loopt over de Kingdom Route. De bordjes zijn nu groen/rood. We hebben dan ook de keus om langs de Noordzeekust te blijven of langs de rivier de Tay richting Edinburgh te gaan. Als echte Noordzeegangers gaan we natuurlijk langs de Noordzeekust. We nemen ook het extra stukje door Tentsmuir Forest. Een bos met voornamelijk dennen. Op de kop lopen we even naar het strand. Een soort waddenlandschap strekt zich voor ons uit. Even verderop bij het strandje Kinshaldy Beach vinden we dan eindelijk vakantievierende Schotten. Een carpark, waar toegang voor betaald moet worden, en een groot picknickveld waar verschillende mensen zitten de picknicken en BBQen. Wij doen dat ook, een broodje eten dan. Als we weer een stukje verder zijn komen we twee Nederlandse fietsers tegen die vanuit Newcastle naar het noorden fietsen. Ze zijn de enige fietsers die we vandaag tegenkomen. Naar St. Andrews is het nu niet ver meer. De A91 heeft hier een apart fietspad. Bij een enorm golfterrein + bijbehorend hotel komen we St. Andrews binnen. De dichtstbijzijnde camping neemt geen tenten zeggen ze bij de VVV, dus we wijken uit naar een camping 3 km verderop. We slaan hier ons tentje op. Het tentenveld is vol, maar we kunnen staan op een halve caravanplek. Op zeer lichte fietsen (zonder bagage) keren we terug naar St.Andrews. Het plaatsje is prachtig gelegen aan de zee. Een klein haventje, dat helaas wordt ontsierd doordat de oorspronkelijke huizen zijn gesloopt en er nu een sjofele flat staat. Er zijn erg veel ruïnes, van de grote kathedraal, die in de 15e en 16e eeuw de macht van de bisschoppen vertegenwoordigde, van een kasteel (het bisschoppelijk paleis) en van een kerk (St. Mary of the Roses). De binnenstad is nog wel intact, maar er moet nog wel veel gebeuren om er een mooi stadje van de maken. Lelijke garagedeuren wisselen prachtige geveltjes af.

 

63e etappe
St. Andrews – Kirkcaldy 55 km

Woensdag 16 juli 2003.
Zonnig, warm, weinig wind.

Omdat we al een eindje St. Andrews uitwaren, de camping ligt 4 km ten zuiden van St. Andrews, een stukje van de route afgesneden. Bij Pittscottie de route weer opgepakt. Weer een mooie landelijke route met klimmen en dalen tot Markinch. Dit dorp heeft een stobcross dat daar in de 6e eeuw is neergezet, waarschijnlijk bij het stichten van de kerk. Dit dorp is een beschermd dorpsgezicht, met panden waar bij verbouwing een extra vergunning voor nodig is.
Daarna een niet zo interessant deel van de route. Via een voetbrug met trappen de A911 over. Daarna dwars door Glenrothes´nieuwbouwwijken (Glenrothes is een newtown). Na Glenrothes en Thornton een zeer verwaarloosd stuk, veel vuil en rotzooi op en langs de weg en dan weer een voetbrug, nu de A92 over. Gelukkig ligt er nu wel een rail voor de fiets. Helaas voor Jan aan de verkeerde kant, namelijk links van de trap. Daarna rijden we zo het stedelijk gebied van Kirkcaldy binnen. Het is over tweeën. Nog even overwogen om door te rijden naar Edinburgh. Maar het lijkt verstandiger hier een camping te zoeken. Tussen Kirkcaldy en Edinburgh (45 km verder) is geen camping.
Op de camping allerlei dingetjes gedaan. Fietsen schoongemaakt, koffie gedronken, brief geschreven,nagels geknipt etc.
Aan het eind van de middag naar Kirkcaldy. Enorm lange boulevard (6 km lang, “The Lang Toun”). Het is vloed, het water slaat over de kade. Armoedige stad. Eerst een industriestad (kurkvloeren), maar nu meer op de meubels overgegaan. Veel gaten en dichtgetimmerde gebouwen. Parallel aan de boulevard een heel lange winkelstraat, karakter Haarlemmerstraat in Leiden, infrastructuur aardig aangelegd, maar ja, de middenstand moet het doen. Twee grote winkelcentra. Eén kan je nog inlopen, alle winkels zijn al dicht, lijkt sprekend op Zuidplein in Rotterdam, ook niet zo vrolijk dus. Moeilijk om van deze stad iets te maken. Aardige Chinees gevonden om te eten.

 

64e etappe
Kirkcaldy – Dalkeith 77 km.

Donderdag 17 juli 2003.
Niet zo warm, 18°C en lager, droog tot de brug over Forth, daarna regen.

Vroeg vertrokken, naar beneden naar de boulevard van Kirkcaldy. Jan valt aan het eind van de boulevard, als hij afstapt en in en kuil stapt. Gelukkig alleen wat schaafwonden. Via een wat gezocht achterpad worden we gevoerd naar een landweg een beetje van de kust af. Stijgt aardig en voor we er erg in hebben zitten we wat op de kaart een “proposed route” heet. Dat leidt naar een boerengrindpad en vervolgens na enig zoeken – het kan toch niet dat we met de fietsen een echt steil overgroeid wandelpad naar beneden moeten – blijkt er een gat in het hek van het terrein van Alcan Chemicals Europe te zijn. Daar ligt een nieuw aangelegd grindpad, dat ook steil naar beneden gaat, maar waar wel met de fiets te rijden of te lopen is. Dus tussen de chemicaliën door dalen we af naar Burntisland, dat blijkens het plaatsnaambord een jumelage heeft met Flekkefjord in Noorwegen. We vinden het pad ook al zo Noors ingericht. Na Burntisland gaat het langs de kust verder langs het spoor. De spoorwegen hier in Schotland liggen op de mooiste plaatsen. Tussen de muurtjes, maar later met vol zicht op de baai, rijden we verder. Industrie en toerisme wisselen elkaar hier af. We komen in de buurt van Dalgety Bay nog een klein ruïnekerkje uit de middeleeuwen tegen: Bridget´s Church.
De brug over de rivier de Forth is heel druk, maar redelijk veilig met een eigen baan, grotendeels afgeschermd met een vangrail. Het wordt nu wel heel donker en na de brug regent het. De route gaat hier een stuk langs de A90, ook weer tussen twee muurtjes. Het is dus wel de dag van de muurtjes.
We hebben inmiddels besloten Edinburgh over te slaan. Ik heb de stad indertijd uitgebreid bekeken. En in één dagdeel zie je eigenlijk niets. Beter om nog een keer apart terug te gaan. De route staat in Edinburgh heel goed aangegeven. En in het stadscentrum, heel listig, met alleen kleine rode eentjes. Prima. We gaan dwars door het centrum heen. Maar ze hebben voor deze fietsroute wel aparte fietsstroken en fietslichten aangelegd. De tijd van lachen in Engelse kranten over die gekke Hollandse fietsverkeerlichten, is dus echt over. De weg Edinburgh uit is nog wel even griezelig, door een nauwelijks verlichte tunnel van een halve mijl. Het eerste stuk is aardedonker en de fietsvoorlampen doen het niet. Het gebied blijft stedelijk. De route gaat wel gedeeltelijk over fietspaden. Maar het blijft een beetje behelpen. Vlak voor Dalkeith gaat het pad weer over een stukje verlaten spoorlijn. Er staat halverwege een bord dat er een omleiding is, omdat de weg gesloten is. De omleidingsbordjes verschijnen niet en inderdaad is de weg afgesloten en helemaal aan het eind en wel zodanig dat je er ook echt niet door kan. Dus terug en via een zijweg komen we op de A6094. In Dalkeith aangekomen, het is inmiddels tegen zessen, blijkt de weg naar de camping, en je moet maar afwachten of die er inderdaad nog is, tamelijk steil omhoog te lopen langs een drukke weg. We besluiten een hotelletje te zoeken, en dat is gauw gevonden, aan de Highstreet. Als we de kamer binnenstappen, staat daar een tas met spullen en er ligt een jasje. Foutje van het hotel. De gast komt regelmatig, is nu weg, maar laat zijn spullen achter in het hotel. ´s Nachts voor de zekerheid de deur van de kamer gebarricadeerd.

 

65e etappe
Dalkeith – Innerleithen  59 km.

Vrijdag 18 juli / Zaterdag 19 juli 2003.
Eerst droog, dan spetterig, dan regen. In de middag weer droog. 18°C, matige soms krachtige wind. ZW.

We gaan Dalkeith uit, en na 4 km gaat het zachtjes spetteren. Dan realiseren we ons dat we de regenjacks nog in de kast van de hotelkamer hebben laten liggen. We gaan gauw terug. Ze hangen nog netjes in de kast. We gaan opnieuw op weg. De route loopt weer over een niet meer gebruikte spoorlijn. Er worden nu meer honden uitgelaten dan een uur geleden. De bordjes wijken iets af van de route op de kaart. De oude spoorweg naar Penicuik wordt langer gevolgd. Daarna wordt het snel landelijker en het stijgt ook, maar rustig. Bij Middleton is een enorme groeve, die nog steeds uitbreidt. We stijgen nu harder naar Moorfoot Hills (320 m), vanwaar een prachtig uitzicht moet zijn tot Edinburgh toe. Maar het is te nevelig. En hoewel de wind aardig hard gaat blazen, blijft het nevelig. Het gaat nu ook regenen. Na Moorfoot Hills dalen we weer, maar we hebben de wind tegen. Dus het blijft trappen. Hoge kale bulten omringen ons. Dit is weer een heel mooi deel van de route. Door het dal van Leithen. Later bereiken we Innerleithen. Het dorp is versierd met blauw en wit. Er is duidelijk iets te vieren. We rijden eerst lang de verkeerde kant van de rivier de Tweed. We zien de camping liggen. Moeten terug het dorp door om hem te bereiken. De campingbaas vertelt ons dat het St.Ronans feestweek is en dat er vanavond ceremonials zijn in de Memorial Hall. We zetten gauw de tent op. Het is inmiddels droog – en besluiten vroeg te eten en naar de Ceremonials te gaan. Dan zitten we lekker warm binnen.
De ceremonials blijken een combinatie te zijn van competitie (beste van de klas krijgen een medaille), keuze eredrager van het vaandel, dodenherdenking, christelijke heiligendagviering en toneelspel. Het hele dorp is uitgelopen. Het is heel aardig om te zien dat jong en oud meedoet. Daar kunnen sociaal werkers bij ons nog wel wat van leren. Hoe maak je sociaal cement in een gemeenschap. Als we het gebouw na afloop uitlopen, worden we aangesproken door iemand van de organisatie. Ze bombardeert ons tot gast. We krijgen een lintje dat opgespeld moet worden met het woord guest. We krijgen het programma en ze schiet een stel aan dat ons onder hun hoede moeten nemen. We mogen met de bus mee naar boven, naar de bron van St. Ronan, de patroonheilige van Innerleithen. De bron bevat sulfaat en is lang in gebruik geweest als geneeskrachtig bad. Nu kun je er alleen nog water drinken. In de ceremonies wordt dat ook gedaan. Er is een museum, waar nu een koud buffet staat. We eten en drinken wat en dalen dan af met onze gastvrouw naar het dorp, alwaar het muziekcorps speelt en een kleine optocht is. Voor ons doen laat en tamelijk moe gaan we naar de camping.

Zaterdag bekijken we de printshop van Robert Smails, doen boodschappen (waar zit de supermarkt hier?) Er zijn geen restaurants open op de Highstreet in het dorp, dus we moeten helemaal naar Traquair Arms Hotel. Daar lekker buiten gegeten, onder een parasol.

 

66e etappe
Innerleithen – Melrose 38 km

Zondag 20 juli 2003.
Zonnig met regenbuien, 20°C, geen wind.

Om half tien zijn we bij Traquair House, dat pas om half elf open gaat. We zetten de stoeltjes neer en Jan maakt koffie. Om 10.00 uur komt de dame van de kaartverkoop. Traquair House is een versterkt landhuis en vanaf 1107 continue bewoond geweest. Het is rijk aan historie, - in het huis zijn geheime trappen, zodat de katholieke priester kon ontsnappen bij onraad – en aan verhalen. Zo zijn er prachtige toegangshekken met monumentale beren, die maar zes jaar gefunctioneerd hebben, omdat de graaf besloten heeft dat de hekken gesloten zouden blijven tot er weer een Stuart op de troon zal zitten. (http://www.traquair.co.uk/history.html). De huidige bewoners doen er alles aan om het landhuis in goede staat te houden en daartoe organisaeren zij veel activiteiten. Zo hebben ze de 17e eeuwse brouwerij in ere hersteld. Origineel Traquair Ale kun je er kopen. Heerlijk!
Daarna op weg naar Melrose. Het is maar 30 km. Rustige tocht, voornamelijk langs de rivier de Tweed.  Bij aankomst Melrose Abbey bekeken.  Melrose Abbey is de ruïne van een grote abdij, gewijd aan de maagd Maria en dateert uit de 12e eeuw. Al vanaf de 16e eeuw is hij in verval, eerst door plunderingen van het Engelse leger en later doordat de reformatie doorzette en de overheid geen toestemming meer gaf om de abdij te herstellen.

 

67e etappe
Melrose – Berwick 85 km.
Maandag 21 juli 2003.

Aanvankelijk zonnig en droog. Tegen drieen regen, eind van de dag hevige regenbui. ´s Avonds zonnig en droog. 18°-22°C. matige wind (achter!)

Vroeg weg. Maar nog even boodschappen doen in Melrose. Via een weg die met twee hekken afgesloten is voor auto´s Melrose uit. Wel meteen klimmen, dalen en klimmen. De route beweegt zich vandaag om de rivier de Tweed. We gaan hier vier keer over!. De eerste keer bij Dryburgh via een voetbrug, de tweede keer bij Norham, vlak voordat we voordat we moeten stijgen naar de ruïne van Norham castle, de derde keer bij Horncliffe en de vierde keer bij Berwick.
De Tweed is vanaf Birgham de grens tussen Schotland en Engeland. Omdat we zo heen en weer slingeren. Passeren we die grens ook twee keer. “Welcome to Northumerland”; “Welcome to the Scottish Borders”. We zijn duidelijk op weg naar huis. Kelso schijnt een aardig plaatsje te zijn. Bij de receptie van de camping vroegen ze of we van Kelso hadden genoten. Daar moesten we het antwoord op schuldig blijven. Berwick upon Tweed is een oud vestingstadje. We vragen bij de VVV of er een alternatieve route is. Van een tegemoet komende fietser hebben we gehoord dat er een enorme kuil op het pad langs de kliffen is, vol met water, die niet te vermijden is. Hij is er met een vaart dwars doorheen gereden. Dat lijkt me niets. Maar er is een alternatief. En er is ook een internetgelegenheid, in de bibliotheek. Daar kunnen we inderdaad terecht. Alhoewel er met grote letters staat dat het alleen voor leden is, legt niemand ons een strobreed in de weg. Aan de zuidkant van de rivier de Tweed vinden we een camping. We hebben een mooi zicht op het stadje. De zuidoever is net als in Rotterdam het armere deel. Kleine dorpjes die nu tegen de stad aanliggen. Maar verarmd. Zelfs de pubs zijn gesloten. Veel huizen dichtgetimmerd en gaten in de huizenrijen. We vinden uiteindelijk en restaurantje dat door Indiërs gedreven wordt. Heel goedkoop.  In het restaurant zitten drie dames die zo uit Coronationstreet zijn weggelopen. Gek genoeg bespreken ze dat programma ook met elkaar. Ik wist niet dat het nog op de TV vertoond werd.