logo-fietssite

8e etappecuesmes toegangskaartje link naar het fotoalbum
Zundert – Antwerpen 64 km (inc. rit naar het centrum en weer terug naar het station).

Maandag 29 juni 2009.
Aanvankelijk  mistig, maar wel al warm, na een uurtje steeds zonniger en warmer, zeker 26º - 28ºC, windstil

Vroeg weg van de camping. Eerst nog even naar het beeld kijken dat Zadkine gemaakt heeft in opdracht van de gemeente Zundert. De twee broers, Vincent en Theo. Op de plaats waar het hart hoort te zitten, zit een gat, en daarvoor strengelen de twee handen van de broers zich ineen. De uitstraling van het beeld is heel anders dan het bekende beeld van de Verwoest Stad in Rotterdam. Maar omdat daar ook een gat in het lichaam zit, is er een overeenkomst. Bijzonder dat het gat bij de twee broers een verbondenheid uitdrukt, en in Rotterdam een gemis. In het kerkhof ernaast gekeken naar het grafsteentje van het oudste doodgeboren broertje van Vincent, ook Vincent geheten. In het museum vertelt hij daarover dat hij als kind over die begraafplaats liep en dan zijn eigen naam tegenkwam en hoe merkwaardig dat was. Doet me denken aan een vroegere chef van mij, die – na de oorlog geboren – vernoemd is naar het broertje dat in de oorlog vergast is. Dat trekt toch een wissel op het leven van het kind dat de plaats van het dode kind moet innemen.
Een mooie route langs het natuurgebied de Krochten met vennen en veel ganzen en open boerenland met veel kwekerijen van bomen en tuinplanten, naast natuurlijk de varkenshouderijen. Toch zien we her en der een graanveld ertussen. De grens met België is bijna onzichtbaar. Een weg waar het asfalt stopt en in keien overgaat. En een ander format van de wegaanduidingen, dat is alles. Na Brecht komen we langs het kanaal van Antwerpen. Dat kanaal kent een groot verval, zodat we ettelijke sluizen passeren. Vaak met bootjes. Even voorbij St.Job in ’t Goor is het jaagpad naast het kanaal afgesloten. We kunnen er echt niet langs. We volgen de omleidingsroute door Schoten. Keurig wordt ook weer aangegeven waar we terugkunnen naar het kanaal. Maar bij Merksem gaat het mis. Ook daar wordt aan de weg gewerkt. Het pad door de kasteeltuin komt niet uit waar hij uit zou moeten komen. We rijden een stukje terug, maar kunnen niet vinden welk pad we zouden hebben moeten nemen. Uiteindelijk komen we uit op de zeer drukke Bredalei. Die staat op de kaart in het boekje. We volgen hem een tijdje en slaan dan op goed geluk een linker, ook drukke zijweg in. Daar komen we weer uit op de route. Een ingewikkeld stuk over het kanaal, en onder de A1 door brengt ons in de stad. Frank leidt ons snel en direct door het verkeer.  Vlak na het spoor is een soort mooi park aangelegd met zwemgelegenheid. Een remise is ervoor ingericht. Alle glasdeuren staan open. Het is er erg druk.
We komen langs de Lange Beeldekensstraat.  Hier heeft Vincent van Gogh gewoond in zijn Antwerpse tijd. Het pand is geheel opgeknapt. Net gisteren las ik  de beeldende beschrijving die Wouter van der Veen geeft in zijn boekje, bij de voorbereiding van een nooit verschenen documentaire over Van Gogh.  Grote armoede en verwaarlozing, maar wel een huurder die wist dat Van Gogh daar gewoond had en het uitzicht had geschilderd. “Net zo’n arme drommel als ik”.  Even verderop gaan we verder op de GPS, waar Jan het waypoint van het YH Internationaal heeft ingegeven. We krijgen een kamer helemaal bovenin, op de 3e verdieping met allerlei trappen en doorgangetjes. Net als we alle tassen naar boven hebben gesleept komt Jan erachter dat we betaald hebben voor een kamer met eigen douche en toilet, en dat we dat niet hebben. Ik loop terug naar de balie. “Oh, sorry, wat ik je gegeven heb is ook een 3 persoonskamer.” En de fietsen kunnen we ook niet binnen kwijt, hoewel het YH wel het logo Bed en Bike  voert. We worden verwezen naar de stalling bij het station. Maar daar aangekomen komen we tot de ontdekking dat die niet bewaakt is. Volgens de VVV op de Markt is er geen enkele bewaakte stalling in Antwerpen.  “Ik moet mijn fiets ook buiten zetten, met een slot”, is het antwoord. We gaan eerst maar eens een biertje drinken. Op de Markt worden filmopnamen gemaakt van de Vlaamse politieserie Zonestad. Iemand is gegijzeld en wordt met ME ontzet. Of zoiets. We kijken hoe dat wordt opgenomen. Dan besluiten we maar een extra slot te kopen.  Met pijn in mijn hart terug naar de stalling van het station. Ik heb er niet zo’n vertrouwen in. Maar wordt onderhanden genomen door Frank. “heb er maar vertrouwen in”. Ik hoop dat ze er morgen nog staan. Volgens  de man van de stalling worden er ong. 5 per week gestolen. We lopen terug naar het centrum, en strijken neer op het terras van de Graanmarkt bij Houten Clara. Een restaurant genoemd naar een bekende Antwerpse figuur. Een kind van een rijke dame en haar minnaar was bij haar geboorte afgestaan aan het kindertehuis. De baby had de helft van een speelkaart bij zich. Na 18 jaar kwam de moeder het kind ophalen. Er is een mooi houten beeldje, dat in het museum van het Maagdenhuis aanwezig is. En verder is er een Antwerpse zegwijze: “Sta daar niet als een houten Clara”. Wat zoveel betekent als “sta daar niet zo te niksen, doe iets”.

 

9e etappe
Antwerpen – Mechelen 61 km

Dinsdag 30 juni 2009
Zeer zonnig, 28ºC - 31ºC, nagenoeg windstil.

Eerst de fietsen opgehaald van de gratis stalling onder het station. Ze stonden er nog alledrie. Het zware hangslot aan de deur van de reparatieruimte gehangen. Dwars door het centrum, weer over de Grote Markt, waar ze opnieuw aan het filmen waren voor de aflevering van Zonestad, naar de kaai van de Schelde. Geprobeerd vanuit het standpunt van Van Gogh een foto te maken van het Steen. Gaat niet helemaal, omdat er nu bomen groeien waar in 1885 een grote lege vlakte was. Daarna langs de Schelde, met een klein ommetje door Hoboken (Rotterdam heeft ook een gebied dat Hoboken heet. Hoboken betekent hoge beuken.), en een zijarm van de Schelde, de Rupel naar Mechelen. Een landschap met afwisselend natuur, kleine stukjes oeverbos, en industrie. Veel petrochemische fabrieken in de buurt van Antwerpen (Frank ziet alle olie merken die hij bij zijn studie Scheikunde ook tegenkomt), veel vergane baksteenindustrie verderop. In Niel/Noeveren staat een steenbakkerijmonument dat wel wat wegheeft van de baksteenoven in Zevenaar. (www.geleeg.be). Het wordt ondertussen hoe langer hoe warmer. Omdat er geen zuchtje wind is, is het nogal drukkend. Het tempo ligt laag en er worden twee terrassen aangedaan. Vlak voor Mechelen wordt een omweg gemaakt langs een zijarm van de Rupel. Je komt in Heffen uit. Een klein dorpje onder de rook van Mechelen. Het heeft een aardig kerkpleintje met een kerk- de sint Amanduskerk-, waarvan de toren uit de 13e/14e eeuw stamt (zandsteen). We rusten in de schaduw van een grote boom in een klein parkje achter het dorpshuis, dat eruit ziet alsof het vroeger het raadhuisje is geweest. In het parkje is een uitgebreid arsenaal aan speelwerktuigen, een glijbaan, een klimwandje etc. Maar geen kind te bekennen  bij deze hitte. Langs de Dijle fietsen we uiteindelijk Mechelen binnen. Op de Markt is ook hier een kermis. Teveel lawaai voor mijn oren. Maar op de Veemarkt is een rustig kroegje open. Terwijl ik de naastgelegen kerk van Petrus en Paulus bekijk, krijgt Frank uitgebreide uitleg over de bijzondere bieren die ze hier schenken. Bij terugkomst zitten de heren aan een maanblusser. Blijkens het bijbehorende verhaal achter op het flesje “In de nacht van 27 op 28 januari 1687 wierp de maan haar rode gloed op de spits van de Rombouts toren, die in de nevel gehuld was. “Brand, brand, de toren staat in brand”, riep een dronkaard in de nacht. Overal werd de noodklak geluid en met alle beschikbare blusmateriaal werd ter hulp gesteld. Nog voor de spits bereikt werd, schoof de maan zachtjes door de nevel en sindsdien zullen de Mechelaars altijd “Maneblussers” blijven. “ Het is lekker bier (www.hetanker.be). Van mijn idee om nu eindelijk de stad eens te gaan bekijken komt weer niets. De eerst keer dat ik in deze stad was, was ik zo ziek, dat ik achtergelaten werd door mijn gezelschap in een parkje, waar ik heb liggen slapen. De tweede keer was na een zeer lange fietstocht, en toen was ik zo moe dat ik bij aankomst in de B&B meteen naar bed ben gegaan. En nu is het te warm en willen de mannen alleen op een terras zitten. En dat doen we ’s avonds weer. Nu achter de Grote Kerk.
Daar hebben we het o.a. over het verschil tussen reizigers en trekkers. Reizigers plannen hun vakanties, en gaan naar bepaalde punten. Trekkers gaat op pad en zien wel waar ze uitkomen. Wij zijn reizigers, denken Frank en ik, maar Jan vindt dat we ook elementen van trekkers hebben.

 

10e etappe
Mechelen – Grimbergen 16 km

Woensdag 1 juli 2009
Zonnig, warm > 30º, nagenoeg windstil.

Anne Marie komt Frank vandaag halen. Om half negen smst ze dat ze bijna in België is. We staan op punt van vertrekken en besluiten niet meer de grote kerk in Mechelen te bekijken, maar meteen door te fietsen naar Grimbergen. Via de Grote Markt en de Schoenmarkt met zijn prachtige oude gerestaureerde panden over de Dijle en door de Brusselse Poort fietsen we zo de stad uit. De route doet zijn best om niet de drukke wegen richting Brussel te pakken en is daar aardig in geslaagd. Alleen het stukje N1 dat over de A1 leidt is heel druk, maar er is een fietsstrook getekend op het asfalt met tussen de banen voor de auto’s en de fietsstrook nog een ruimte die niet bereden mag worden. Als we de A1 over zijn, moeten we linksaf slaan een rustige weg in. Het boekje waarschuwt voor het oversteken, maar een grote vrachtwagen stopt netjes voor ons zodat we direct over kunnen. Het is zo vroeg op de ochtend al heel warm. We zijn snel bij de Verbrande Brug, een strakke modern vormgegeven hefbrug over het Brussel-Scheldekanaal, die vlak nadat wij hem zijn gepasseerd opengaat. We rijden nu verder op de GPS, omdat de camping Grimbergen een eindje van de route afligt. Als we daar aankomen is zit Anne Marie ons al op te wachten met koffie en koek. Ons inchecken veroorzaakt enige verbazing: “heeft u een plek voor ons? We zijn met vier personen, twee trekkerstentjes en één auto”. Maar anders dan de berichten op internet, waar beschreven staat dat de campingbaas onvriendelijk is en weinig behulpzaam, worden we heel vriendelijk te woord gestaan. Later spreek ik hem nog wat uitgebreider. Dan blijkt dat hij groepen jeugd, waarvan hij herrie verwacht weigert, en ook dat hij jongeren erop aanspreekt om de rotzooi in de douche op te ruimen of rustig te zijn. Voor ons soort reizigers is zo’n campingbaas juist heel prettig. Het is veel te warm om veel te ondernemen. Een klein wandelingetje in Grimbergen, compleet met een Geocache (een soort puzzelwandeling met behulp van de GPS, waar aan het eind een schat gevonden moet worden.) Het biermuseum is alleen te bezoeken als dat van te voren met een groep besproken wordt en het MOT (Musea Oude Technieken) met een oude watermolen is dicht. Dus installeren we ons op de camping in de schaduw, met boeken en het netbook.

 

11e etappe
Grimbergen – Ecaussinnes 65 km

Donderdag 2 juli 2009.
Nog steeds warm 30ºC, windstil, in de middag een beetje ZO.

Uitgezwaaid door Anne Marie en Frank, zijn we nu met zijn tweeën op pad. We gaan vandaag naar Ecaussinnes, voornamelijk langs het Brussel-Scheldekanaal. Het kanaal hebben we snel gevonden. Het is heel druk, veel auto’s, veel bedrijvigheid. Dat blijft zo tot Brussel. In Brussel volgen we de route door de stad, waarom weet ik eigenlijk niet, want we zijn niet van plan hier te blijven of iets te gaan bekijken, en als we de route door Brussel afgelegd hebben, komen we weer bij hetzelfde kanaal uit. Voor Brussel passeren we Vilvoorde, dat zich afficeert als Vlaamse stad. Na Brussel komen we ook nog door Halle. Het valt ons op dat alles consequent alleen in het Nederlands (Vlaams) staat aangekondigd. Halle en Vilvoorde zijn Nederlandstalig en worden “bedreigd” door de verfransing die vanuit Brussel oprukt. De taalkwestie in het kiesdistrict Brussel Halle Vilvoorde is springlevend en zichtbaar. Na Halle blijven we op het jaagpad waarbij het kanaal rechts van ons is. Dat rijdt snel aan. Maar omdat het zo warm is, wordt er vaak gepauzeerd. Hoe verder we van Brussel komen, hoe natuurlijker het wordt. Eerst allerlei bedrijvigheid, dan verlaten bedrijvigheid (o.a. verlaten ijzerindustrie) en dan meer natuur, inrichting voor pleziervaart. Bij Ronquières stuiten we op een bijzondere sluis. Hier worden de schepen in het kanaal niet geschut, maar ze worden omhoog getrokken. Je kunt het bekijken via een lift, maar de toegang is 7 euro inclusief de tentoonstelling. Alleen met de lift naar boven om het spectakel van het trekken van de schepen te bekijken is helaas niet mogelijk. We fietsen verder. Het is nu niet ver meer naar Ecausssinnes. Het gebied wordt heuvelachtiger. De camping Le Dime staat aangegeven. Een steile weg leidt ernaar toe. (even lopen) Het is een rustige camping met voornamelijk stacaravans. De eigenaar die in een prachtige villa voor de camping woont, toont ons via zijn eigen tuin een schaduwrijk plekje. Hij vindt het ook veel te warm. We richten ons bivak in en gaan op de fiets 2 km verderop naar Ecaussinnes. (heuveltje op, heuveltje af). Dit dorp fietsen we van alle kanten op en neer voordat we een supermarkt gevonden hebben.  En daarna duurt het ook nog een tijd voor we een eettent  vinden. Alles is dicht. Maar  uiteindelijk worden we in een sjiek restaurant verwezen naar Le vieux moulin, vlak bij het slot. En daar is het gezellig met Chauffe op de tap en lekkere salades.

 

12e etappe
Ecaussinnes – Mons 57 km

Vrijdag 3 juli 2009.
In de ochtend dreigend met onweer, zweterig weer, later wat  koeler, met ZO wind, maar de afkoeling was van korte duur, eind van de middag weer warmer tussen de 23° – 30° C.

We hoeven vandaag niet zo’n lang stuk te fietsen, ongeveer 30 km. We hebben dat zo gepland omdat we het mijnmuseum in Houdeng willen bezoeken. Van Gogh heeft in de Borinage gewoond en gewerkt als dominee onder de mijnwerkers. Eerst fietsen we door de heuvelachtige velden ten zuiden van Ecoussinnes. Tarwe, gerst, bieten en mais wisselen elkaar af. En soms ook weiden met witte dikbilkoeien. Via Le Roeulx dalen we af naar het Centrumkanaal of Canal du Centre. Via een fietspad rijden we tot de ijzeren afzetting bij de scheepslift bij Strépy. Een enorm gevaarte dat schepen een hoogteverschil van 73 meter laat overbruggen. Er komt net een klein Hollands scheepje aan. Dat gaat moeiteloos in de lift. Wij fietsen terug en als we beneden zijn en langs het kanaal rijden komen we het Hollandse bootje tegen. We gaan langs het oude kanaal terug, omdat we de voorgangers van de scheepslift bij Strépy willen bekijken. Voor 2000 werd voor schepen het hoogteverschil namelijk met vier scheepsliften overbrugd. Een technisch hoogstandje uit de 19e,  begin 20e eeuw, dat inmiddels op de Unesco werelderfgoedlijst is geplaatst. De gietijzeren hydraulische liften zien er vernuftig, maar wel vervallen uit. De eerste wordt gelukkig gerestaureerd. Dat dat een dure grap is, blijkt uit het bord dat erbij staat: 5 miljoen euro. En dan moeten er  nog drie. Langs het kanaal is bij de 2e lift een informatiecentrum, Daar kan je met een bootje mee door één van de liften (dat zien we ook), je kan met een treintje langs het kanaal rijden en je kan er fietsen huren. Nadat we bij de eerste lift zijn geweest fietsen we terug tot Houdeng. Zullen we nog naar het mijnmuseum gaan kijken? Ja, we hebben nog tijd genoeg. We dalen af in Houdeng. Dwars door wat een mijnwerkerswijk is, komen we bij het museum. Er zitten er twee naast elkaar : het mijnmuseum en het ecomuseum Bois-du-Luc. (http://www.ecomuseeboisduluc.be/accueil.html)  We kiezen op goed geluk het tweede. Dat is prima. We krijgen een gids en een audiotour. Er is nog heel wat over van deze mijn, ook al mogen we niet onder de grond. Boven de grond is voldoende te bekijken. Wat denk je van de kamer van de directeur, met spiegels boven de deur, zodat hij kon zien wie ervoor stond, en spiegel tegenover zijn bureau zodat hij kon zien wie er binnenkwamen. De audiotour is aan de hand van een mijnwerkers echtpaar. Je beleeft het met hun mee, hoe hun leven eruit zag. Werkdagen van 12 uur, weinig verdiensten (een vrouw verdiende per dag de helft van een pakje boter), zwaar en vuil werk. De directeur woonde in een huis op een hoogte gebouwd, zodat hij het lager gelegen mijnwerkers dorp in de gaten kon houden. Mijnwerkers konden daar wonen, op drie voorwaarden: werken in de mijn, zondags naar de kerk, en je gezin meenemen. Vlamingen deden dat niet, aldus onze gids. Die lieten hun vrouw en kinderen thuis. We kunnen ook een woning bezoeken, die in originele staat is teruggebracht. Oorspronkelijk bestond zo’n huis uit twee kamers. Later werd er een keuken en bijkeuken achter bijgebouwd en twee slaapkamers boven. De ruimte van de vergrote woningen valt mij mee. De arbeiderswoning in de Kiefhoek in Rotterdam Zuid is heel wat kleiner en daar werd toch ook met een heel gezin gewoond. Maar de omstandigheden waren natuurlijk wel abominabel slecht. Je kan je voorstellen dat als Van Gogh meende als een mijnwerker te moeten leven, dat hij voor gek werd verklaard. Een dominee zal wel meer in de sociale klasse van de directeur zijn gevallen.
We fietsen terug naar het kanaal en volgen de route in het boekje. Helaas zijn we vergeten dat de beschreven spoorwegovergang bij Havré opgeheven is. Terwijl we daar staan te kijken, komt een politiewagen ons achterop. Kennelijk wordt deze opgeheven overgang goed in de gaten gehouden. We leggen uit dat we niet van plan zijn illegaal het spoor over te gaan. Omdat we geen zin hebben terug te gaan, gaan we verder langs het kanaal in de veronderstelling dat er nog wel een gelegenheid komt om het spoor over te steken. Maar dat lukt niet. In plaats dat we via de oostkant Mons binnenfietsen moeten we een hele cirkel rond maken. Uiteindelijk komen we via een weg helemaal noordelijk pas de stad binnen. In het centrum komen we eerst langs de jeugdherberg. Die ziet er goed uit en gelukkig is er nog een kamer vrij. Dus blijven we hier in plaats van de camping op te zoeken.    

 

Rustdag
Mons

Zaterdag 4 juli 2009.
Warm, zonnig, beetje bewolkt, weinig wind, 28ºC - 31ºC

Dagje rust. In de ochtend gewandeld in Bergen. Het grote plein aan de voet van de berg, waarop ooit het kasteel stond, en waar nu nog een belfort is met een park, Le Grande Place is the place to be. Het is een langwerpig ellipsvormig plein met rondom allemaal opgeknapte panden. Het heeft in het midden een muziektent waar nu een popgroep bezig is in te spelen. Aan drie zijden van het plein is horeca en aan de vierde kant zit het oude stadhuis, een schitterend gotisch pand. Aan de voorgevel zit een aapje. Niemand weet waarom, maar natuurlijk is er wel een legende aan verbonden. Aai je met je linkerhand het kopje, dan is er een jaar geluk voor jou. Natuurlijk doe ik dat. Door de grote gotische poort kun je naar de binnentuin lopen, de tuin van de burgemeester geheten, mooi aangelegd met oude bomen en bloeiende bloemen. De hele dag wordt er getrouwd en klinken er toeterende auto’s  als de bruidsparen vertrekken. We bezoeken de Waltrudis kerk, die ligt vlak achter de jeugdherberg. Ik had nog nooit van de heilige Waltrudis gehoord, maar zij blijkt een vrome vrouw die in Bergen een religieuze gemeenschap stichtte. Toen ze stierf, werd ze als een heilige vereerd door de bewoners van Bergen. Haar lichaam werd in een reliekschrijn geplaatst. DNA onderzoek heeft uitgewezen dat het inderdaad de beenderen van een 7de eeuwse vrouw zijn.  In de kerk staat ook een gouden koets. Die ziet er heel anders uit, dan de ons bekende. Het is een houten praalwagen, geschilderd en verguld in Louis XVI stijl. Elk jaar wordt op drievuldigheidsdag (1e Pinksterdag) in deze wagen in een processie de reliekschrijnen met de overblijfselen van de heilige Waltrudis rondgereden. En volgens de legende moet de gouden koets in één ruk op de steile helling naast de kerk naar boven rijden, anders komt er onheil over de stad. Het schijnt nog elk jaar goed te gaan.
We wandelen nog wat verder van het plein af. Het valt op dat er nog veel opgeknapt moet worden. Ook zijn er grote inbreuken gedaan in de stadsplattegrond. Het provinciehuis verrijst in al zijn grootte midden in de kleinschalige omgeving. Aan de rand van de binnenstad stuitten we op de kazematten. Dat blijkt een restant van de versterking die de Nederlanders bij de samenvoeging van België en Nederland onder Willem I gebouwd te hebben. Bergen was een belangrijk punt in de verdediging naar Frankrijk. Dus de hele stad is toen ommuurd. Na de scheurig wisten de Belgen niet hoe snel ze dat weer moesten afbreken. Nu resteren nog twee kleine stukjes aan de zuidrand van de stad.
In de middag bezoeken we met de fiets het huis van Van Gogh in Cuesmes. Vincent woonde hier nadat hij ontslagen was als prediker in de Borinage, omdat hij te fanatiek was, van augustus 1979 tot oktober 1880. Het huis was in de 70er jaren totaal vervallen en zou in de moerassige grond zijn weggezakt als er niet iets aan gedaan zou worden. De zoon van zijn broer Theo, ing. Vincent Willem van Gogh, heeft zich ingespannen om het gerestaureerd te krijgen. Het ligt prachtig in het groen, een paar honderd meter van de weg af. En nu is het een klein museum, met wat meubels, enkele tekeningen en een diapresentatie. Het lijkt ondertussen wel een beetje op een bedevaart. Alles bekijken wat we onderweg tegenkomen over Vincent van Gogh.